Achtergrond De winkelstraat staat landelijk op de agenda, en nu?

Credit: Leiden Centrummanagement

Voor het eerst worden vitale winkelgebieden als speerpunt genoemd in het regeerakkoord. De nieuwe minister van Economische Zaken, Micky Adriaansens, reserveerde haar eerste werkbezoek voor de Rotterdamse retail. Symbolisch, of gaan overheid en gemeenten actief werk maken van de transformatie van onze stads- en dorpskernen?

Tekst: Rosita van der Kwaak en Wilke Wittebrood

Het was op 7 februari 2022 een mooie opsteker voor de detailhandel: het állereerste werkbezoek van de kersverse minister van Economische Zaken, Micky Adriaansens, was aan de winkeliers in Rotterdam. Adriaansens sprak met retailers aan de Oude en de Nieuwe Binnenweg, om een beeld te krijgen van hoe de zaken er na twee jaar corona voor staan. Bij de ondernemers, maar ook in de straat zelf. Winkelgebieden worden voor het eerst expliciet benoemd in het regeerakkoord (zie kader): het nieuwe kabinet wil samen met lokale overheden aan de slag om leegstand te bestrijden en de samenwerking tussen retail, horeca en cultuur te stimuleren. “Omdat een bruisende winkelstraat cruciaal is voor de leefbaarheid in dorpen en steden”, zo staat te lezen. Dat is meer dan een symbolisch gebaar, vindt Marcel Evers van Inretail en oprichter van Platform De Nieuwe Winkelstraat. “We zien dit als een krachtig signaal en een heel belangrijk ‘haakje’ waarop we met de overheid aan de slag kunnen.”

Winkelstraten onder druk

Want die bruisende winkelstraat staat door de coronacrisis onder druk. De pandemie heeft vooral de grootste binnensteden hard geraakt. Amsterdam, Rotterdam en Den Haag – steden die voor corona juist ‘booming’ waren – zijn hun positie als topwinkelgebied in drie jaar tijd deels kwijtgeraakt, blijkt uit het Koopstromenonderzoek 2021 (februari 2022). Alleen Utrecht wist die positie vast te houden. “Middelgrote en kleine centra zijn relatief beter door de crisis gekomen dan de grote steden”, knikt Cees-Jan Pen, lector De Ondernemende Regio bij Fontys Hogescholen. “Die grote steden zijn afhankelijk van externe bezoekers, dagjesmensen en toeristen, en die waren er de afgelopen twee jaar veel minder. Lokaal kopen heeft tijdens de crisis een boost gekregen. Maar of die verandering structureel is, is onzeker.” Over het geheel genomen loopt het bezoek aan de winkelstraat echter over de gehele linie terug, een ontwikkeling die al ruim voor corona zichtbaar was. Daar spelen volgens het onderzoek meerdere factoren: de verdere opmars van online shoppen en het feit dat er minder recreatief en meer functioneel gewinkeld wordt. Trends die door corona zijn versneld. Daarbij nam het aantal winkels in het onderzoeksgebied (Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Brabant) de afgelopen vijf jaar met 9 procent af. Die panden werden opgevuld met horeca (7,6 procent), omgebouwd naar woningen of andere niet-publieksfuncties.

Wat staat er in het regeerakkoord?

In het coalitieakkoord van VVD, D66, CDA en de Christenunie is te lezen dat het nieuwe kabinet zich actief gaat inzetten voor het versterken van winkelgebieden. Het is voor het eerst dat winkels zo prominent aanwezig zijn in een regeerakkoord. De regering gaat met lokale overheden aan de slag om leegstand tegen te gaan en een nauwere samenwerking tussen retail, horeca en cultuur te stimuleren. Ook worden mengformules toegestaan, waardoor het voor retailers bijvoorbeeld mogelijk wordt om hun klanten een glas champagne te serveren tijdens een modeshow of een drankje aan te bieden tijdens het passen. In het regeerakkoord is ook aandacht voor bedrijfsopvolging binnen familiebedrijven: om de continuïteit te waarborgen moet dat proces ‘eenvoudiger en eerlijker’ worden.

────── Foto: Het allereerste werkbezoek van de nieuwe minister van Economische Zaken en Klimaat, Micky Adriaansens (met zwarte jas), was begin februari aan de Rotterdamse retail. (Credit: Caland/Schoen)

Compleet pakket

Winkelgebieden worden compacter, ziet Pen. “De noodzaak daarvan is al langer bekend. Nederland heeft veel te veel vierkante winkelmeters. Maar terwijl kernwinkelgebieden kleiner worden, wordt de binnenstad juist breder. Vanuit de gedachte dat zo’n gebied meer is dan alleen een plek om te kopen; het is een plek om te verblijven.” Leiden heeft dat goed begrepen. De gemeente zette de binnenstad meer dan vijftien jaar geleden al op de kaart met het ‘Bijzonder programma binnenstad’, en dat is volgens centrummanager Gijs Holla een groter verhaal dan alleen de detailhandel. Binnensteden moeten volgens hem een compleet pakket van retail, horeca en cultuur bieden. “Leiden is een universiteitsstad met dertien musea en een gespecialiseerd biotech-bedrijvenpark, het Bio Science Park. De gemeente heeft destijds duidelijk gekozen om zich als zodanig te positioneren: als stad van kennis en cultuur. Voor beide pijlers zijn er programma’s gebouwd.” Met resultaat, vervolgt hij: een derde van de mensen die Leiden bezoeken, doet dat voor de cultuur. Slechts een derde komt om te winkelen, terwijl dat percentage in andere steden veel hoger is. “Dat lijkt niet direct positief voor de retail, maar dat is het juist wel. Het betekent dat mensen ook andere motieven hebben om naar de stad te komen. Ze gaan naar het museum, lopen daarna een rondje door de binnenstad, gaan winkelen en eten in een restaurant. We richten ons heel erg op dat combinatiebezoek. En daarvoor is het belangrijk om de stad als geheel op de kaart te zetten.”

Multifunctionele gebieden

Op de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam, die minister Adriaansens van Economische Zaken begin februari bezocht, werd twintig jaar geleden een soortgelijk proces in gang gezet onder leiding van Anke Griffioen. De Rotterdamse ondernemer heeft een schoenenwinkel in grote maten in de straat, Caland/Schoen, en is mede-eigenaar van ontwikkelingsbureau Hogenboom & Griffioen. “Toen ik Caland twintig jaar geleden overnam, was de Nieuwe Binnenweg in beroerde staat”, zegt ze. “Maar de locatie was geweldig: tegen het kernwinkelgebied aan en vlak bij het Centraal Station, het Erasmus MC en de kunstdriehoek met alle musea. Dat potentieel werd alleen totaal niet benut. Dan doe ik het zelf wel, dacht ik.” Griffioen jaagt een transformatie aan op drie gebieden – fysiek, organisatorisch en programmatisch – dat ze het ‘motormodel’ noemt. Ze maakt de verloederde locatie tot gezamenlijk probleem van de winkeliers en pandeigenaren, en krijgt met een volledig uitgewerkt renovatieplan subsidie los van de gemeente om de straat op te knappen. De ondernemers en andere betrokken partijen verenigen zich in Vereniging De Binnenweg, rollen vanuit daar een pr- en communicatiestrategie uit en gaan als straat evenementen en activiteiten organiseren. Die samenwerking is de verklaring voor het feit dat de Nieuwe Binnenweg er na twee jaar corona nog relatief goed voor staat, stelt Griffioen. “We hebben hier een mooi aanbod van horeca, buurtwinkels en winkels die mensen uit stad en land trekken. Maar je vindt hier ook een kerk, een verzorgingscentrum en andere functionaliteiten. Vanuit het idee dat winkelstraten publieke ruimtes zijn, de levensaders van een dorp of stad. Ik geloof niet in monogebieden waar je alleen kunt kopen.” Zulke gemengde winkelgebieden hebben de toekomst, beaamt lector Cees-Jan Pen. Dat besef is volgens hem inmiddels breed geland. “De pandemie heeft geleerd hoe kwetsbaar de afhankelijkheid van retail en horeca alleen maakt. De meeste centra veranderden tijdens de lockdowns in spooksteden.”

Geef mensen naast winkels ook andere motieven om naar de stad te komen

Sturen op ruimtelijke ordening

Dit goed vormgeven vraagt om landelijke aansturing, vindt Inretail. De brancheorganisatie heeft drie speerpunten voor het nieuwe kabinet geformuleerd in het pamflet ‘De winkelstraat als publieke ruimte’ – waaraan ook Anke Griffioen meeschreef – en overhandigde dat aan minister Adriaansens tijdens haar bezoek. Het eerste punt is ruimtelijke ordening. “Geen nieuwe malls en outletcentra aan de rand van de stad meer”, zegt Marcel Evers van Inretail. Dat onderschrijft Pen (Fontys). “Dan hollen we de binnenstad alleen maar verder uit. Op dit moment staan onze binnensteden er nog relatief goed voor. Dat komt doordat hier in de jaren zestig wettelijk is vastgelegd om de bouw in de periferie te beperken, al is die wet later wel versoepeld. In andere landen zie je veel sterker dat malls, meubelboulevards en outletcentra aan de rand van de stad tot lege kernen hebben geleid.” Verder pleit Inretail voor een landelijk leegstandspercentage van maximaal 5 procent, waarop lokaal beleid kan worden gevoerd. Evers: “Het is dan aan provincies en gemeenten om te bepalen waar wel en geen winkels komen om onder die norm te blijven.” Het zou ook helpen als gemeenten kritischer zouden zijn op welke panden een detailhandelsvergunning mogen blijven dragen, voegt retailer Björn Mulder toe. Hij en zijn broer Ralf zijn eigenaar van familiebedrijf Mulder Schoenen in Alkmaar en exploiteren de brandstores van schoenenmerken Asics en Clarks in Nederland, tien in totaal. “Die vergunningen werden vroeger heel makkelijk afgegeven, waardoor we nu de erfenis meetorsen dat je op de gekste plekken in een stad tattooshops of massagesalons ziet. Dat draagt niet bij aan een aantrekkelijk straatbeeld. Als je winkelgebieden wilt inkrimpen, is dit het eerste waar ik zou beginnen.”

Rotterdam pakt regie
De gemeente Rotterdam pakt de regie in de winkelstraat met het in november 2021 geïntroduceerde leegstandsfonds, waarmee in elk geval 9 miljoen euro gemoeid is. Met dat geld wil de stad op ‘cruciale plekken’ vastgoed aankopen en doorverkopen aan partijen die bijdragen aan de verbetering van het straatbeeld. “Dat kan van alles zijn”, zegt de verantwoordelijke wethouder Roos Vermeij in een raadsbrief. “Een huisartsenpost, een cultureel centrum, een nieuwe winkel of zelfs woningen. Het fonds helpt ons om te zorgen dat winkelstraten weer een gevarieerd palet aan winkels en voorzieningen krijgen.”
────── Foto: Waar samenwerking toe kan leiden: de Rotterdamse ondernemersvereniging haalde publiekstrekker Santa Claus – beter bekend als Kabouter Buttplug – naar het Eendrachtsplein, op de hoek van de Oude en de Nieuwe Binnenweg. (Credit: Fred Romero/CC BY 2.0 via Wikimedia Commons)

Integrale en gebiedsgerichte aanpak

De binnensteden veranderen niet alleen qua samenstelling. Gemeenten zijn de afgelopen jaren sterker gaan inzetten op verblijfskwaliteit in plaats van bereikbaarheid. Het water komt terug naar de binnenstad en er wordt meer groen aangelegd in de vorm van parken, bomen en groene gevels. De auto wordt meer en meer uit het centrum geweerd, fietsers en voetgangers krijgen meer ruimte. Die ontwikkelingen tonen aan hoeveel transitieopgaven er wel niet in de winkelstraat samenkomen – gemeenten moeten hier ook aan de slag met vraagstukken op het gebied van energie, mobiliteit, duurzaamheid, digitalisering en een veranderende demografische samenstelling. Die kwesties moeten volgens Inretail met elkaar verbonden worden in één integrale en gebiedsgerichte aanpak. Lector Cees-Jan Pen is het daarmee eens. “Neem de subsidie voor het verduurzamen van winkelpanden. Dat is direct een goed moment om te toetsen of de winkel nog wel op de juiste locatie zit of wellicht moet verhuizen. Ook daar is een overheidspotje voor; waarom die fondsen niet combineren?” Tot slot pleit Inretail voor investeringen in een ‘publieke online ruimte’ als antwoord op de dominantie van internetgiganten als Amazon en Alibaba. Volgens de brancheorganisatie vraagt dat om een gezamenlijke aanpak van zowel landelijke als lokale overheden, de retailsector en andere betrokken partijen. “Er is al een begin gemaakt met initiatieven als Warenhuis Groningen, waar je alle producten van lokale ondernemers in één online warenhuis kunt vinden”, vertelt Marcel Evers van Inretail. “Op die weg moeten we verder”, voegt Anke Griffioen van Caland/Schoen toe. “We moeten op zoek naar een manier om de lokale dynamiek van winkelgebieden naar de digitale wereld te vertalen. Anders ligt dat speelveld open voor de techreuzen, die niets bijdragen aan de leefbaarheid van onze binnensteden en waardoor steeds meer omzet en belasting afvloeit naar het buitenland.”

Je straat is je umfeld; daarover wil je toch meepraten?
────── Foto: Retailer Björn Mulder dacht actief mee over de herinrichting van De Laat, de winkelstraat waar zijn schoenenzaak Mulder Schoenen is gevestigd. (Credit: Stadswerk072.nl)

Stimulans van bovenaf

Sinds 2015 loopt er een overheidsprogramma om winkelgebieden toekomstbestendig te maken: de Retailagenda, een initiatief van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Dat werd opgezet als reactie op de groeiende leegstand in winkelgebieden en in versnelling gebracht door het faillissement van V&D eind 2015, dat enorme gaten in binnensteden sloeg. Met het doel om de publieke en private partijen lokaal aan tafel te krijgen, vertelt voorzitter Marijke van Hees. “We hebben wethouders gevraagd om een gezamenlijke visie op hun binnenstad te formuleren en daarmee de leegstand terug te dringen. Met het wegvallen van V&D werd duidelijk dat de markt de problemen niet kon oplossen. Er was stimulans van bovenaf nodig om de samenwerking tussen provincie, gemeente, vastgoedeigenaren, retail- en horecaondernemers en culturele instellingen vorm te geven. Die samenwerking hebben we aangejaagd in de vorm van Retaildeals. Inmiddels hebben 159 gemeenten en 12 provincies zo’n deal getekend.” Om de transformatie extra handen en voeten te geven, werd vorig jaar het landelijke Programma Impulsaanpak Winkelgebieden aangekondigd. Het kabinet stelt 100 miljoen euro beschikbaar om ‘gebiedsgerichte projecten’ te ondersteunen. Het idee: gemeenten kunnen een aanvraag indienen en bij goedkeuring tot 25 procent van de benodigde financiering als subsidie uitgekeerd krijgen. Dat kan oplopen tot een maximum van 50 procent voor de zogenaamde ‘onrendabele top’ van het project, nieuw- of verbouw waarbij de kosten niet worden terugverdiend. Het maximum subsidiebedrag is 5 miljoen euro, waarvan ten minste 1 miljoen euro voor de onrendabele top. De overige 75 procent moet uit publiek-private middelen komen; gemeentegeld en investeringen van vastgoedeigenaren, ondernemers en andere stakeholders binnen een vorm van collectieve financiering. Een jaar na aankondiging is er van die 100 miljoen euro echter nog niets uitgekeerd. “Dat valt ons bijzonder tegen”, zegt Marcel Evers van Inretail. “Juist nu hebben we daadkracht nodig.” Een woordvoerder van het ministerie van EZK laat weten die opmerking te begrijpen. “De procedure moest verder worden ontwikkeld en juridisch getoetst. In eerste instantie kon zo’n projectaanvraag namelijk uitsluitend door een samenwerkingsverband van gemeente en private partijen worden ingediend. Veel gemeenten hadden zo’n overeenkomst bij het indienen nog niet zwart op wit, daarom is de voorwaarde losgelaten. Dat klinkt eenvoudig, maar kost veel tijd. Nu dient de gemeente de aanvraag in en kan de samenwerkingsovereenkomst later – binnen een jaar na toekenning van de subsidie – definitief worden getekend. In het voorjaar en najaar van 2022 starten de eerste aanvraagrondes.” Is 100 miljoen euro genoeg? Daarover zijn de meningen eenduidig: nee. Volgens Inretail moet het kabinet ten minste 400 miljoen euro extra vrijmaken. Lector Cees-Jan Pen van Fontys verwacht dat er uiteindelijk miljarden aan binnenstedelijk vernieuwingsbudget nodig zal zijn. “Uit publieke én private fondsen.”

Plaats aan tafel afdwingen

Dit alles betekent niet dat lokale ondernemers weinig anders kunnen dan afwachten wat de overheid besluit. Integendeel, zij kunnen juist een heel belangrijke rol spelen bij de transformatie van hun winkelgebied. Dat heeft retailer Anke Griffioen met haar ‘motormodel’ op de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam laten zien. “En dat begint met je organiseren en zo een plaats aan tafel bij de gemeente afdwingen”, zegt ze. Daar help je je eigen onderneming ook mee, voegt retailer Björn Mulder toe (Asics, Clarks en Mulder Schoenen). “Als winkelier moet je weten wat er in je straat gebeurt. Dat is je umfeld; daarover wil je toch meepraten? Daarom hebben we ons in alle steden waar we actief zijn, aangesloten bij de lokale Bedrijven Investeringszone (BIZ). Dat is een afgebakend bedrijven- of winkelgebied waarbinnen ondernemers gezamenlijk investeren in het verbeteren ervan. Gemeenten kijken vaak wat argwanend naar ondernemers die iets willen, is mijn ervaring. Het heersende gedachtegoed onder ambtenaren is dat we er puur op uit zouden zijn om zoveel mogelijk geld te verdienen. Doordat we vanuit de BIZ onze eigen pot geld meenemen, krijg je heel andere gesprekken.” ■

Tip: ‘Welkom in de nieuwe binnenstad’
Op donderdag 14 april organiseert De Nieuwe Winkelstraat samen met Gemeente Leiden en Centrummanagement Leiden het congres ‘Welkom in de nieuwe binnenstad’. Tijdens het congres neemt Leiden de bezoekers mee in hun visie en aanpak. Op het programma staan onder andere: een stadssafari door de binnenstad van Leiden, deelsessies over thema’s zoals transformatie, de leefbaarheid van binnensteden en het creëren van een aantrekkelijk aanbod voor bezoekers. Maar ook een gesprek met grootwinkelbedrijven over hoe zij structureel een rol kunnen spelen in lokale samenwerkingen.
Meer info: www.platformdenieuwewinkelstraat.nl
────── Leiden zette de binnenstad meer dan vijftien jaar geleden al op de kaart met het ‘Bijzonder programma binnenstad’. (Credit: Leiden Centrummanagement)